Politieblog

Verhalen van een agent

Nieuwe start

Ik roep het al een aantal maanden. ”Ik moet weer wat gaan doen met mijn verhalen”. Telkens komt er niets van. Het ene moment wil ik een boek uit gaan brengen en het andere moment denk ik weer dat het niets voor mij is. Maar wat moet ik dan gaan doen. Oja… Ik was begonnen met een blog. Heb er alleen niets meer mee gedaan. Waarom niet?

In het jaar 2012 heb ik een heftig incident meegemaakt waardoor ik ptss kreeg. Nadat ik een jaar met de klachten doorliep begon het me lichamelijk en geestelijk op te breken. Ik had last van flashbacks en nachtmerries waardoor ik slecht sliep. Ook wilde ik niet meer naar vrienden of naar plekken waar veel mensen aanwezig waren. Nadat ik een angstaanval had gehad, heb ik eindelijk aan de bel getrokken. Ben toen naar de bedrijfsarts geweest die mij doorstuurde naar het pdc in Diemen. Hier kreeg ik een dag lang testen en een gesprek met een psychiater. Uitkomst van die dag was dat ik chronische ptss had. Het beestje had eindelijk een naampje. Hierna ben ik therapie gegaan. Ik ben behandeld met de bepp methode. Tijdens deze behandeling moest ik een brief schrijven en mijn gebeurtenis. Dit ben ik blijven doen.

Ik ben toen in januari 2017 een blog gestart. Na 3 verhalen  gepubliceerd te hebben liep mijn relatie op de klippen. Hierna ben ik niet meer verder gegaan met bloggen. Jammer, ik wilde het wel, maar ik zat midden in een verbouwing. Heel mijn huis is verbouwd. Al het oude eruit en het nieuwe erin. De grootste lof is voor mijn vader, moeder en zusje. Die hebben mij veel gesteund en geholpen in die tijd.

In April 2017 heb ik mijn nieuwe vriendin leren kennen. Het mooiste wat mij ooit is overkomen. Na een paar keer gedatet te hebben zijn wij in Juli gaan samenwonen en niet heel veel later raakte wij zwanger.  In April is ons wondertje uitgerekend. Ik kan niet wachten, we zijn er helemaal klaar voor.

Op dinsdag 21 november 2017 gebeurde er alleen iets waar ik nu nog, tijdens het schrijven, last van heb. Tijdens de briefing voor de middag dienst, kreeg ik last van mijn borst en werd ik duizelig. Ook had ik het idee dat ik een hartaanval kreeg. Hierop werd direct een ambulance gebeld en werd ik ter controle meegenomen naar het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft en belande ik op de eerste hart hulp. Ik had een veelste snelle hartslag en een hele hoge bloeddruk. Na bloedonderzoeken en een hartfilmpje werd ik opgenomen op de hartafdeling. De volgende dag kreeg ik een echo van mijn hart en bleek dat de pompfunctie verminderd was. Ik moest een hartkatheterisatie ondergaan. Gelukkig was de uitkomst positief en had ik geen dichtgeslibde aderen. Ik kreeg medicatie voor mijn hoge bloeddruk en als snel voelde ik mij iets beter. Ik had niet meer het gevoel dat ik dood ging. Een week later kreeg ik een mri-scan van mijn hart. Gelukkig bleek dat door de medicatie mijn hart weer voldoende mijn pompfunctie had teruggekregen en op 1 december 2017 besloot de cardioloog dat het veilig genoeg was om naar huis te gaan. De onderzoeken zouden poliklinisch verder gaan.

De eerste afspraken voor de onderzoeken stonden pas in januari dus ik kon wat aansterken. De eerste afspraak was bij de internist voor mijn hoge bloeddruk die nog steeds te hoog was. Hij schreef extra medicijnen aan mij voor en ik moest mijn urine inleveren en bloedprikken. De uitslag was dat er teveel van een bepaalde hormoon in mijn bloed zat, dat zou kunnen aantonen dat ik een afwijking heb in de slagader in mijn nier of nieren. De afspraak die ik daarna had was bij de cardioloog. Ik kreeg een 48 uur holter en een echo van mijn hart. De uitslag was dat alles goed was met mijn hart.

Vandaag 20 februari 2018 heb ik een Ct-scan gehad van mijn nieren. Volgende week krijg ik de uitslag, spannend.

Het is dus een bevlogen jaar geweest met hele leuke kanten en ook een mindere. Maar zoals ik deze blog begon, ik roep al maanden dat ik weer wat met mijn verhalen moet gaan doen. Dus bij deze.

Whiplash

Waar normaal een bumper hoort te zitten, zie ik nu alleen verwrongen staal. Het is de achterkant van een witte lesauto. Daarachter staat een grote witte vrachtauto. Aan de voorkant van de vrachtauto zie ik  een groot gat. Ook daar zit geen bumper meer op. Tussen het linker voorwiel van de vrachtauto zitten de resten van de achterbumper van de lesauto. Die aanrijding moet hard gegaan zijn. Naast de lesauto zit een jongen. Met beide handen ondersteunt hij zijn nek. Van de gezichtsuitdrukking die hij heeft lees ik pijn af. Ik rij nog op de snelweg in een burgerauto. Ik rij op de linkerrijstrook en ik wil zo snel mogelijk naar het ongeval toe. Het ongeval staat op de afrit, dus zo snel mogelijk stuur ik mijn auto naar de afrit toe. Er is geen vluchtstrook dus ik zet mijn auto voor de aanrijding neer. Het overige verkeer kan hier niet makkelijk komen, omdat het ongeval achter mij ook op de afrit staat. Ik laat mijn auto tot stilstand komen en zet de motor af. Ik zeg tegen mijn collega: “Zet de blauwe pit op het dak” mijn collega pakt de zwaailamp en zet deze op het dak. Ik druk het knopje in en de zwaailamp begint te flikkeren. Ik doe mijn gordel los en maak me klaar om uit te stappen.

Terwijl ik nog in de auto zit en met de autodeur open hoor ik een hele harde klap. Door de klap word ik naar voren geslingerd. Ik zet met mijn hand me af op het dashboard en hierdoor kan ik nog net voorkomen dat ik met mijn hoofd tegen de voorruit kom. Wat is er gebeurt, vraag ik aan mijn collega. Hij weet het ook niet. Ik voel direct een pijn in mijn nek en rug. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en zie een zwarte BMW drie serie. Een Aziatische man stapt uit en kijkt naar de voorkant van zijn auto. Ik roep via mijn portofoon de meldkamer en zeg: “Ik heb een ongeval gehad. Ik wil een eenheid en een meerdere hierheen hebben, volgens mij hebben we geen letsel over.” Ik stap uit het voertuig en loop naar de Chinese man toe. Ik vraag of de man ergens pijn heeft en wat er is gebeurt. De man zegt: “Nee heb nergens last van. Ik keek naar het ongeluk en toen botste ik tegen u op.” Ik kijk naar de positie van het voertuig en ik zie dat de BMW half op de afrit en half op de rechterrijstrook staat. Dan denk ik weer aan de jongen die ik zag zitten bij het passeren van het ongeluk. Ik loop naar de berm toe en ik zie de jongen nog steeds zitten. Ik vraag of hij ergens pijn heeft en hij zegt: “ ja in mijn nek. Het doet zo zeer.” Ik zou bijna tegen hem zeggen dat ik weet hoe het voelt, want ik heb ook nog steeds pijn in mijn nek en rug. Toch besluit ik de jongen te helpen. Ik ga achter hem zitten en houd zijn nek recht. Ik roep naar mijn collega dat hij een ambulance moet waarschuwen. Ik stel de jongen gerust en daar zie ik de ambulance al aankomen. De ambulancebroeder neemt het van mij over. De jongen gaat mee naar het ziekenhuis om zijn verwondingen te laten nakijken.

Terwijl ik op het bureau bezig ben met het papierwerk voel ik nog steeds pijn in mijn nek en rug. Het doet zelfs nog meer pijn dan net na de aanrijding. Ik besluit toch maar even de huisarts te bellen en ik moet meteen naar hem toe komen. Na het bezoek van de huisarts zit ik nog een aantal weken thuis het een whiplash. Zo zie je maar weer, een ongeluk zit in een klein hoekje, zeker op de snelweg.

Angst

Daar stond ik dan, oog in oog met een man die minstens 2 keer zo groot en 3 keer zo breed is als ik. Tien minuten eerder kwam een vrouw hysterisch gillend het bureau binnen gestormd. Het is mijn eerste stageweek bij de politie, net mijn eerste drie maanden achter de rug op de politieacademie. Gewapend met peperspray en een wapenstok zit achter de balie in de hal van het politiebureau. Het vuurwapen heb ik nog niet. Die krijg ik pas later. Ik zie een vrouw hysterisch gillend het bureau in rennen. Op haar gezicht heeft ze een grote snee zitten waar bloed uit komt. Haar blouse die wit hoort te zijn, is nu rood van het bloed. Gillend roept de vrouw tegen mij ”hij is me gevolgd, hij gaat me vermoorden.” Nog verbaasd van het spektakel vraag ik aan de vrouw wie haar gaat vermoorden. “Mijn man, hij is me gevolgd en staat nu op de parkeerplaats voor het politiebureau. Hij is me gevolgd in zijn zwarte BMW. Help me dan toch.” Ik open de deur van een spreekkamer en ik laat de vrouw voor haar eigen veiligheid daar plaats nemen. Ik loop naar de wachtcommandant en leg hem heel het verhaal voor. Dan zegt de wachtcommandant tegen mij dat iedereen buiten is en dat ik naar de parkeerplaats moet gaan om de man aan te houden. Verbaasd kijk ik de wachtcommandant aan en zeg ik tegen hem dat ik nog nooit iemand heb aangehouden. De wachtcommandant lacht en zegt tegen mij dat eens de eerste keer moet zijn. Ik raap mijn moed bijeen, want ik ben toch wel zenuwachtig voor mijn eerste aanhouding. Ik loop het bureau uit en ik loop naar de parkeerplaats voor het bureau. Ik kijk rond en dan zie ik een zwarte BMW staan met een man erin.

Dan stapt de man uit. Ik schrik. Ik zie een man van twee meter lang, misschien nog wel langer. Dan kijk ik naar zijn postuur. ‘Daar pas ik wel drie keer in’ denk ik. Ik slik en voorzichtig loop ik naar de man toe. Terwijl ik naar de man loop kijk ik achterom. Ik zie de wachtcommandant staan voor de ingang van het bureau. Hij loopt niet mee, maar blijft daar gewoon staan kijken. Dan sta ik voor de man. Hij lijkt nu nog groter. De man is net een reus en ik kijk omhoog naar het gezicht van de man. Met fijngeknepen ogen kijkt de man terug naar mij. ‘Dat wordt vechten’ denk ik. Ik ga dat nooit winnen van die man. Voorzichtig pak ik mijn peperspray vast. Ik trek de peperspray nog niet, maar ik heb de peperspray in ieder geval al vast. “U bent aangehouden”, zeg ik tegen de man. Dan vraagt de man aan mij waarvoor hij is aangehouden. Ik kijk de man aan, recht in zijn ogen. “Voor mishandeling op uw vrouw.”

De man steekt zijn armen vooruit en zegt tegen mij dat ik de handboeien om mag doen. Voorzichtig doe ik de handboeien om bij de man. Samen lopen we terug naar het bureau. Via de personeelsingang ga ik het bureau binnen. De man zegt tegen mij dat het net leek of ik bang voor hem was. Ik zei tegen de man dat het mijn eerste aanhouding is. “Ik kan niet tegen peperspray. Daar was ik bang voor” zegt hij. Hierna loop ik met de man naar de cellengang en breng dan man naar een politiecel. Zo bleek die klerenkast toch een grote vriendelijke reus te wezen.

Een duik in het water

Ik haast me naar een overval. Samen met mijn collega Gerrit zit ik in de auto. Ik hoor via de meldkamer dat drie mannen de woning hebben verlaten. Een oplettende buurman hoorde geschreeuw en heeft 112 gebeld. Ik rij de straat in en ik zie nog net de drie mannen rennen. Ze rennen naar het einde van de straat. Ze hebben alle drie bivakmutsen op en zijn helemaal in het zwart gekleed. Nog voordat ze het einde van de straat hebben bereikt komt daar ook een politieauto aanrijden. De collega’s Kevin en Matthijs stappen uit en pakken twee van de drie mannen beet. Ik rij met mijn auto naar Kevin en Matthijs toe en ik stap samen met mijn collega Gerrit uit. Één man werkt mee. Hij krijgt handboeien om en hij wordt in de politieauto gezet. De andere man rukt zich los van Matthijs en rent naar een brandgang toe met een snoekduik stort Matthijs zichzelf bovenop de man. De man valt en mijn collega Gerrit rent ook naar de man toe. Hij helpt de andere Matthijs en ze krijgen uiteindelijk de handboeien om. Dan zie ik de derde man. Hij staat bij de brandgang te kijken naar de aanhouding. Zijn bivakmuts heeft hij afgedaan en hij heeft de bivakmuts in zijn hand. Ik ren naar hem toe en ik zie dat hij verdwijnt in de brandgang. Ik ga in mijn eentje ook de brandgang in. Terwijl ik aan het rennen ben, roep ik via mijn portofoon de meldkamer op. Ik zeg:”meldkamer twee verdachten aangehouden. Ik ren achter de derde verdachte aan. Ik ren nu in de brandgang achter de woning waar de overval is gebeurt.” Inmiddels ren ik in de brandgang. Ik kijk rond, maar ik zie geen overvaller. De derde man is verdwenen.

Dan zie ik aan de andere kant van de brandgang een collega aankomen lopen. Het is Gerrit. Ik loop naar Gerrit toe en vraag aan hem of de man hierlangs is gekomen. “Nee” zegt Gerrit. We kijken de brandgang nog eens in. Aan de ene kant zijn tuinen van de huizen en aan de andere kant een bouwterrein. Ik schijn met mijn lantaren op het bouwterrein. Niks, helemaal niks.” We zijn hem kwijt”, zeg ik tegen Gerrit. Dan horen we geritsel van takken in een tuin. Gerrit hoort het ook. We besluiten naar de tuin toe te lopen. Er staat een hoog hekwerk omheen en Gerrit klimt de tuin in. Als ik iets haat is het klimmen, maar als er een overvaller in de tuin zit moet ik achter Gerrit aan. Dus ik klim als een volleerde Clown over het hek. Eindelijk ik sta in de tuin. In de tuin kijk ik eens goed rond. Het lijkt wel een oerwoud. Overal onkruid, bosjes, takken en planten. Op de grond zijn heuvels en kuilen. Dan horen we een geluid bij de achterdeur vandaan komen. Door het onkruid en de bosjes kunnen wij de achterdeur niet goed zien. Dus Gerrit loopt voorop en we banen een weg door de tuin. Gerrit zegt: “kijk uit waar je loopt.” Dan hoor ik een plons en ik zie Gerrit wegvallen. Wat groen gras was, is nu een golvende vijver. Ik zie Gerrit weer boven water komen en ik zie dat heel zijn haar onder het groene kroos zit en hij kijkt naar de achterdeur. Dan hoor ik hem boos zeggen:” het is verdomme een poes, een poes”.

Met een grijns op mijn gezicht help ik Gerrit uit de vijver. Zijn overhemd en broek zien er nu groen uit. De onderkant van zijn broek zat onder de modder en hij stinkt een uur in de wind. Een natte hond is er niets bij. Samen lopen we naar de auto en ik leg een deken over de bijrijder stoel. Hierna ben ik met open ramen voor frisse lucht naar het bureau gereden, waar hij een warme douche kon nemen. Die stank zal me altijd bij blijven.

© 2018 Politieblog

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑