Een tussendoortje

Ineens hoor ik voetstappen op me afkomen. Het is 2 uur ’s nachts en ik zit met normale kleding aan in een portiek waar de vorige nacht is ingebroken. Het is een open portiek en ik kan de straat vanaf hier goed in kijken. Het is recht tegenover een winkel van 3 etages hoog. Twee mannen komen de straat in lopen en de kijken telkens de woningen in. ‘Dit zijn inbrekers’, denk ik meteen. Het is de manier van kijken, daarmee verraden ze zichzelf. De mannen stoppen bij de winkel en kijken door het raam naar binnen. Eén van de mannen pakt zijn rugzak. Hij rommelt er wat in en haalt er een koevoet uit. Ik roep de meldkamer op en ik meld dat er een inbraak gaande is. De meldkamer stuurt twee politieauto’s naar mij toe, ze zijn slechts een paar minuten bij mij vandaan. Ook de hondenbrigade meldt via de meldkamer dat ze mijn kant op komen. Dan zet de man de koevoet tussen de deur en geeft hier een ruk aan. De deur vliegt met een zwaai open. De mannen lopen naar binnen en ik zie ze direct naar de trap lopen. Ze lopen naar boven en dan zie ik ze even niet meer. Na een paar seconden verschijnen ze lopend op de eerste verdieping. Ze lopen naar een vitrinekast en daar blijven ze even voor staan. Ik kan niet zien wat er in deze kast staat, maar ze weten precies waar ze moeten zijn. De man met de koevoet geeft een klap op het glas en het glas breekt in kleine stukjes. De mannen pakken er iets uit en stoppen dit in hun rugzak. Op dat moment zie ik twee politieauto’s de straat in rijden. Ik pak mijn portofoon en zeg tegen de collega’s in de auto dat ze de winkel moeten omsingelen. Twee collega’s rijden naar de achterkant en twee collega’s naar de voorkant van de winkel. Alle uitgangen worden nu in de gaten gehouden tot de hondenbrigade er is.

Twee minuten later zie ik de hondenbrigade de straat inkomen rijden. De hondengeleiders stappen uit de auto en ze halen ook de twee honden uit de auto. Beide honden hebben er zin in, hoor ik aan het geblaf. Ook de inbrekers horen dit, want ik zie dat de twee mannen naar een bureau rennen en zich onder het bureau verstoppen. Via mijn portofoon geef ik aan de hondengeleiders door waar de inbrekers zitten. Van een van de hondengeleiders hoor ik dat ze naar de eerste verdieping gaan en dat ze daar beginnen met zoeken. De hondengeleiders gaan naar binnen en lopen de trap op. Voor hen lopen de honden aan een lange hondenriem. De honden beginnen met snuffelen op de grond en ze komen uit in de ruimte waar het bureau staat. Ze beginnen te blaffen. De twee mannen komen onder het bureau vandaan en ze staan nu oog in oog met twee politiehonden. Eén van de mannen besluit om weg te rennen en de andere man blijft staan. De man die blijft staan wordt aangehouden door een van de hondengeleiders. De andere hondengeleider laat zijn hond los en de hond rent achter de andere man aan. De hond springt op en bijt de man in zijn bovenbeen. Door het gewicht van de hond en de krachtige bijt valt de man op de grond. De hond laat niet los en wacht op zijn hondengeleider. De hondengeleider rent naar de man toe, die ondertussen ligt te kermen van de pijn. De hondengeleider pakt de man beet en zorgt ervoor dat de hond loslaat. Daarna slaan ze de man in de boeien.

Ik ga naar de ingang van de winkel toe, naar twee collega’s die voor de ingang staan. Ik kijk naar binnen en zie de eerste man naar beneden lopen. Achter hem loopt hond die met omhoog geheven kop de man aankijkt.  De twee collega’s lopen naar binnen en nemen de man van de hondengeleider over en ik neem de andere man over van andere hondengeleider over, die ook naar beneden komt lopen. Deze man heeft een grote bijt wond op zijn bovenbeen. Zijn wond bloed hevig en de man kan bijna niet meer lopen. Hij kermt het uit van de pijn. Dat zal voorlopig nog wel even zeer doen.

De klerenkast

Daar stond ik dan, oog in oog met een man die minstens 2 keer zo groot en 3 keer zo breed is als ik. Tien minuten eerder kwam een vrouw hysterisch gillend het bureau binnen gestormd. Het is mijn eerste stageweek bij de politie, net mijn eerste drie maanden achter de rug op de politieacademie. Gewapend met peperspray en een wapenstok zit achter de balie in de hal van het politiebureau. Het vuurwapen heb ik nog niet. Die krijg ik pas later. Ik zie een vrouw hysterisch gillend het bureau in rennen. Op haar gezicht heeft ze een grote snee zitten waar bloed uit komt. Haar blouse die wit hoort te zijn, is nu rood van het bloed. Gillend roept de vrouw tegen mij ”hij is me gevolgd, hij gaat me vermoorden.” Nog verbaasd van het spektakel vraag ik aan de vrouw wie haar gaat vermoorden. “Mijn man, hij is me gevolgd en staat nu op de parkeerplaats voor het politiebureau. Hij is me gevolgd in zijn zwarte BMW. Help me dan toch.” Ik open de deur van een spreekkamer en ik laat de vrouw voor haar eigen veiligheid daar plaats nemen. Ik loop naar de wachtcommandant en leg hem heel het verhaal voor. Dan zegt de wachtcommandant tegen mij dat iedereen buiten is en dat ik naar de parkeerplaats moet gaan om de man aan te houden. Verbaasd kijk ik de wachtcommandant aan en zeg ik tegen hem dat ik nog nooit iemand heb aangehouden. De wachtcommandant lacht en zegt tegen mij dat eens de eerste keer moet zijn. Ik raap mijn moed bijeen, want ik ben toch wel zenuwachtig voor mijn eerste aanhouding. Ik loop het bureau uit en ik loop naar de parkeerplaats voor het bureau. Ik kijk rond en dan zie ik een zwarte BMW staan met een man erin.

Dan stapt de man uit. Ik schrik. Ik zie een man van twee meter lang, misschien nog wel langer. Dan kijk ik naar zijn postuur. ‘Daar pas ik wel drie keer in’ denk ik. Ik slik en voorzichtig loop ik naar de man toe. Terwijl ik naar de man loop kijk ik achterom. Ik zie de wachtcommandant staan voor de ingang van het bureau. Hij loopt niet mee, maar blijft daar gewoon staan kijken. Dan sta ik voor de man. Hij lijkt nu nog groter. De man is net een reus en ik kijk omhoog naar het gezicht van de man. Met fijngeknepen ogen kijkt de man terug naar mij. ‘Dat wordt vechten’ denk ik. Ik ga dat nooit winnen van die man. Voorzichtig pak ik mijn peperspray vast. Ik trek de peperspray nog niet, maar ik heb de peperspray in ieder geval al vast. “U bent aangehouden”, zeg ik tegen de man. Dan vraagt de man aan mij waarvoor hij is aangehouden. Ik kijk de man aan, recht in zijn ogen. “Voor mishandeling op uw vrouw.”

De man steekt zijn armen vooruit en zegt tegen mij dat ik de handboeien om mag doen. Voorzichtig doe ik de handboeien om bij de man. Samen lopen we terug naar het bureau. Via de personeelsingang ga ik het bureau binnen. De man zegt tegen mij dat het net leek of ik bang voor hem was. Ik zei tegen de man dat het mijn eerste aanhouding is. “Ik kan niet tegen peperspray. Daar was ik bang voor” zegt hij. Hierna loop ik met de man naar de cellengang en breng dan man naar een politiecel. Zo bleek die klerenkast toch een grote  vriendelijke reus te wezen.

Daar gaat mijn nek!

Waar normaal een bumper hoort te zitten, zie ik nu alleen verwrongen staal. Het is de achterkant van een witte lesauto. Daarachter staat een grote witte vrachtauto. Aan de voorkant van de vrachtauto zie ik een groot gat, ook daar zit geen bumper meer op. Tussen het linker voorwiel van de vrachtauto zitten de resten van de achterbumper van de lesauto. Die aanrijding moet hard gegaan zijn. Naast de lesauto zit een jongen, met beide handen ondersteunt hij zijn nek. Van de gezichtsuitdrukking die hij heeft lees ik pijn af. Ik rij nog op de snelweg in een burgerauto op de linkerrijstrook en ik wil zo snel mogelijk naar het ongeval toe. Het ongeval staat op de afrit, dus zo snel mogelijk stuur ik mijn auto naar de afrit toe. Er is geen vluchtstrook dus ik zet mijn auto voor de aanrijding neer. Het overige verkeer kan hier niet makkelijk komen, omdat het ongeval achter mij op de afrit staat. Ik laat mijn auto tot stilstand komen en zet de motor af. Ik zeg tegen mijn collega: “Zet de blauwe pit op het dak” mijn collega pakt de zwaailamp en zet deze op het dak. Ik druk het knopje in en de zwaailamp begint te flikkeren. Ik doe mijn gordel los en maak me klaar om uit te stappen.

Terwijl ik nog in de auto zit en met de autodeur open hoor ik een hele harde klap waardoor ik naar voren geslingerd word. Ik zet met mijn hand me af op het dashboard en hierdoor kan ik nog net voorkomen dat ik met mijn hoofd tegen de voorruit kom. “Wat is er gebeurt?”, vraag ik aan mijn collega. Hij weet het ook niet. Ik voel direct een pijn in mijn nek en rug. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en zie een zwarte BM. Een Aziatische man stapt uit en kijkt naar de voorkant van zijn auto. Ik roep via mijn portofoon de meldkamer en zeg: “Ik heb een ongeval gehad. Ik wil een eenheid en een meerdere hierheen hebben, volgens mij hebben we geen letsel over.” Ik stap uit het voertuig en loop naar de man toe. Ik vraag of de man ergens pijn heeft en wat er is gebeurd. “Nee, ik heb nergens last van” zegt de man, “Ik keek naar het ongeluk en toen botste ik tegen u op.” Ik kijk naar de positie van het voertuig en ik zie dat de BMW half op de afrit en half op de rechterrijstrook staat. Dan denk ik weer aan de jongen die ik zag zitten bij het passeren van het ongeluk. Ik loop naar de berm toe en ik zie de jongen nog steeds zitten. Ik vraag of hij ergens pijn heeft en hij zegt: “Ja, in mijn nek. Het doet zo’n zeer.” Ik zou bijna tegen hem zeggen dat ik weet hoe het voelt, want ik heb ook nog steeds pijn in mijn nek en rug. Ik besluit de jongen te helpen. Ik ga achter hem zitten en houd zijn nek recht en ik roep naar mijn collega dat hij een ambulance moet waarschuwen. Ik stel de jongen gerust en zie de ambulance al aankomen. De ambulancebroeder neemt het van mij over. De jongen gaat mee naar het ziekenhuis om zijn verwondingen te laten nakijken.

Terwijl ik op het bureau bezig ben met het papierwerk voel ik nog steeds pijn in mijn nek en rug. Het doet zelfs nog meer pijn dan net na de aanrijding. Ik besluit toch maar even de huisarts te bellen en ik moet meteen naar hem toe komen. Na het bezoek van de huisarts zit ik nog een aantal weken thuis het een whiplash. Zo zie je maar weer, een ongeluk zit in een klein hoekje, zeker op de snelweg.

Een duik in het water

Ik haast me naar een overval. Samen met mijn collega Gerrit zit ik in de auto. Ik hoor via de meldkamer dat drie mannen de woning hebben verlaten. Een oplettende buurman hoorde geschreeuw en heeft 112 gebeld. Ik rij de straat in en ik zie nog net de drie mannen rennen. Ze rennen naar het einde van de straat. Ze hebben alle drie bivakmutsen op en zijn helemaal in het zwart gekleed. Nog voordat ze het einde van de straat hebben bereikt komt daar ook een politieauto aanrijden. De collega’s Bob en Matthijs stappen uit en pakken twee van de drie mannen beet. Ik rij met mijn auto naar Bob en Matthijs toe en ik stap samen met mijn collega Gerrit uit. Één man werkt mee. Hij krijgt handboeien om en hij wordt in de politieauto gezet. De andere man rukt zich los van Matthijs en rent naar een brandgang toe met een snoekduik stort Matthijs zichzelf bovenop de man. De man valt en mijn collega Gerrit rent ook naar de man toe. Hij helpt Matthijs en ze krijgen uiteindelijk de handboeien om. Dan zie ik de derde man. Hij staat bij de brandgang te kijken naar de aanhouding. Zijn bivakmuts heeft hij afgedaan en hij heeft de bivakmuts in zijn hand. Ik ren naar hem toe en ik zie dat hij verdwijnt in de brandgang. Ik ga in mijn eentje ook de brandgang in. Terwijl ik aan het rennen ben, roep ik via mijn portofoon de meldkamer op. Ik zeg:”meldkamer twee verdachten aangehouden. Ik ren achter de derde verdachte aan. Ik ren nu in de brandgang achter de woning waar de overval is gebeurt.” Inmiddels ren ik in de brandgang. Ik kijk rond, maar ik zie geen overvaller. De derde man is verdwenen.

Dan zie ik aan de andere kant van de brandgang een collega aankomen lopen. Het is Gerrit. Ik loop naar Gerrit toe en vraag aan hem of de man hierlangs is gekomen. “Nee” zegt Gerrit. We kijken de brandgang nog eens in. Aan de ene kant zijn tuinen van de huizen en aan de andere kant een bouwterrein. Ik schijn met mijn lantaren op het bouwterrein. Niks, helemaal niks.” We zijn hem kwijt”, zeg ik tegen Gerrit. Dan horen we geritsel van takken in een tuin. Gerrit hoort het ook. We besluiten naar de tuin toe te lopen. Er staat een hoog hekwerk omheen en Gerrit klimt de tuin in. Als ik iets haat is het klimmen, maar als er een overvaller in de tuin zit moet ik achter Gerrit aan. Dus ik klim als een volleerde Clown over het hek. Eindelijk ik sta in de tuin. In de tuin kijk ik eens goed rond. Het lijkt wel een oerwoud. Overal onkruid, bosjes, takken en planten. Op de grond zijn heuvels en kuilen. Dan horen we een geluid bij de achterdeur vandaan komen. Door het onkruid en de bosjes kunnen wij de achterdeur niet goed zien. Dus Gerrit loopt voorop en we banen een weg door de tuin. Gerrit zegt: “kijk uit waar je loopt.” Dan hoor ik een plons en ik zie Gerrit wegvallen. Wat groen gras was, is nu een golvende vijver. Ik zie Gerrit weer boven water komen en ik zie dat heel zijn haar onder het groene kroos zit en hij kijkt naar de achterdeur. Dan hoor ik hem boos zeggen:” het is verdomme een poes, een poes”.

Met een grijns op mijn gezicht help ik Gerrit uit de vijver. Zijn overhemd en broek zien er nu groen uit. De onderkant van zijn broek zat onder de modder en hij stinkt een uur in de wind. Een natte hond is er niets bij. Samen lopen we naar de auto en ik leg een deken over de bijrijder stoel. Hierna ben ik met open ramen voor frisse lucht naar het bureau gereden, waar hij een warme douche kon nemen. Die stank zal me altijd bij blijven.

Helaas hebben wij de derde overvaller niet meer kunnen vinden.