Daar gaat mijn nek!

Waar normaal een bumper hoort te zitten, zie ik nu alleen verwrongen staal. Het is de achterkant van een witte lesauto. Daarachter staat een grote witte vrachtauto. Aan de voorkant van de vrachtauto zie ik een groot gat, ook daar zit geen bumper meer op. Tussen het linker voorwiel van de vrachtauto zitten de resten van de achterbumper van de lesauto. Die aanrijding moet hard gegaan zijn. Naast de lesauto zit een jongen, met beide handen ondersteunt hij zijn nek. Van de gezichtsuitdrukking die hij heeft lees ik pijn af. Ik rij nog op de snelweg in een burgerauto op de linkerrijstrook en ik wil zo snel mogelijk naar het ongeval toe. Het ongeval staat op de afrit, dus zo snel mogelijk stuur ik mijn auto naar de afrit toe. Er is geen vluchtstrook dus ik zet mijn auto voor de aanrijding neer. Het overige verkeer kan hier niet makkelijk komen, omdat het ongeval achter mij op de afrit staat. Ik laat mijn auto tot stilstand komen en zet de motor af. Ik zeg tegen mijn collega: “Zet de blauwe pit op het dak” mijn collega pakt de zwaailamp en zet deze op het dak. Ik druk het knopje in en de zwaailamp begint te flikkeren. Ik doe mijn gordel los en maak me klaar om uit te stappen.

Terwijl ik nog in de auto zit en met de autodeur open hoor ik een hele harde klap waardoor ik naar voren geslingerd word. Ik zet met mijn hand me af op het dashboard en hierdoor kan ik nog net voorkomen dat ik met mijn hoofd tegen de voorruit kom. “Wat is er gebeurt?”, vraag ik aan mijn collega. Hij weet het ook niet. Ik voel direct een pijn in mijn nek en rug. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel en zie een zwarte BM. Een Aziatische man stapt uit en kijkt naar de voorkant van zijn auto. Ik roep via mijn portofoon de meldkamer en zeg: “Ik heb een ongeval gehad. Ik wil een eenheid en een meerdere hierheen hebben, volgens mij hebben we geen letsel over.” Ik stap uit het voertuig en loop naar de man toe. Ik vraag of de man ergens pijn heeft en wat er is gebeurd. “Nee, ik heb nergens last van” zegt de man, “Ik keek naar het ongeluk en toen botste ik tegen u op.” Ik kijk naar de positie van het voertuig en ik zie dat de BMW half op de afrit en half op de rechterrijstrook staat. Dan denk ik weer aan de jongen die ik zag zitten bij het passeren van het ongeluk. Ik loop naar de berm toe en ik zie de jongen nog steeds zitten. Ik vraag of hij ergens pijn heeft en hij zegt: “Ja, in mijn nek. Het doet zo’n zeer.” Ik zou bijna tegen hem zeggen dat ik weet hoe het voelt, want ik heb ook nog steeds pijn in mijn nek en rug. Ik besluit de jongen te helpen. Ik ga achter hem zitten en houd zijn nek recht en ik roep naar mijn collega dat hij een ambulance moet waarschuwen. Ik stel de jongen gerust en zie de ambulance al aankomen. De ambulancebroeder neemt het van mij over. De jongen gaat mee naar het ziekenhuis om zijn verwondingen te laten nakijken.

Terwijl ik op het bureau bezig ben met het papierwerk voel ik nog steeds pijn in mijn nek en rug. Het doet zelfs nog meer pijn dan net na de aanrijding. Ik besluit toch maar even de huisarts te bellen en ik moet meteen naar hem toe komen. Na het bezoek van de huisarts zit ik nog een aantal weken thuis het een whiplash. Zo zie je maar weer, een ongeluk zit in een klein hoekje, zeker op de snelweg.